Hoofdstuk 1 · Indienstneming en ontslag
Artikel 7Deeltijd arbeidsovereenkomst en Regeling werktijdvermindering ouderen (RWO), voorheen Regeling partiële terugtreding ouderen (pto)
Tot 31 december 2025 luidt deze bepaling ongewijzigd volgt:
1
Indien de bedongen arbeidsduur op grond van de individuele arbeidsovereenkomst of nadere afspraken minder bedraagt dan de arbeidsduur van een voltijd werknemer, zijn de bepalingen van deze CAO naar rato van de individuele arbeidsduur op overeenkomstige wijze van toepassing, tenzij bij de desbetreffende artikelen anders is vermeld.
2
Tien jaar direct voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum van het ouderdomspensioen (nu vastgesteld op 68 jaar), kunnen werknemers onder voorwaarden gebruik maken van de Regeling Partiele Terugtreding Ouderen. Tot een reductie van 20% omvang van het dienstverband vult de werkgever het nieuwe salaris van de werknemer aan met 50% van het verschil tussen het oude en het nieuwe salaris. De pensioenopbouw wordt, indien en voor zover fiscaal gefaciliteerd, voortgezet op basis van 100% van het oude salaris. De pensioenpremieverdeling tussen werkgever en werknemer blijft ongewijzigd.
Aan deelname van deze regeling gelden de volgende voorwaarden:
- Werknemers kunnen gebruik maken van deze regeling na een dienstverband van tenminste vijf jaar.
- De tussen werkgever en werknemer overeengekomen arbeidsduur per week dient gedurende de vijf jaar voorafgaand aan deelname aan de regeling niet gewijzigd te zijn. Deze voorwaarde geldt niet indien binnen vijf jaar voorafgaand aan een (nieuw) verzoek om toepassing van deze regeling een eerdere reductie van het dienstverband op basis van deze regeling heeft plaatsgevonden.
- Bij herhaalde toepassing van deze regeling geldt de omvang van het dienstverband direct voorafgaand aan de eerste toepassing van deze regeling als uitgangspunt.
- De reductie van het dienstverband kan niet resulteren in een dienstverband van minder dan 50% van een fulltime dienstverband.
- De werkgever is niet (langer) gehouden zorg te dragen voor het voortzetten van de pensioenopbouw op het niveau van de overeengekomen arbeidsduur voor (eerste) deelname aan de regeling indien een wijziging of aanpassing van de fiscale regelgeving of het opschuiven van de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum van het ouderdomspensioen dit niet (langer) faciliteert.
3
De werknemer in dienst op 1 januari 2016 behoudt de hem met ingang van die datum reeds toegekende aantal leeftijdsuren, ex het vervallen artikel 27 eerste lid sub c. De werknemer die ervoor kiest gebruik te maken van de PTO-regeling en nog beschikt over leeftijdsuren toegekend op grond van het per 1 januari 2016 vervallen artikel 27, eerste lid sub c CAO, dient deze bij gebruikmaking van deze regeling in te leveren.
4
De door het gebruik van de PTO vrijkomende uren worden zo maximaal mogelijk en op een verantwoorde wijze herbezet. Als sprake is van herbezetting dan wordt dit aldus vermeld in het Sociaal Jaarverslag.
Met ingang van 1 januari 2026 luidt deze bepaling als volgt:
1
Indien de bedongen arbeidsduur op grond van de individuele arbeidsovereenkomst of nadere afspraken minder bedraagt dan de arbeidsduur van een voltijd werknemer, zijn de bepalingen van deze CAO naar rato van de individuele arbeidsduur op overeenkomstige wijze van toepassing, tenzij bij de desbetreffende artikelen anders is vermeld.
2
Acht jaar direct voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde pensioenrichtleeftijd (nu vastgesteld op 68 jaar), kunnen werknemers onder voorwaarden gebruik maken van de Regeling Werktijdvermindering Ouderen. Tot een reductie van 20% omvang van het dienstverband vult de werkgever het nieuwe salaris van de werknemer aan met 50% van het verschil tussen het oude en het nieuwe salaris. De pensioenopbouw wordt, indien en voor zover fiscaal gefaciliteerd, voortgezet op basis van 100% van het oude salaris. De pensioenpremieverdeling tussen werkgever en werknemer blijft ongewijzigd.
Aan deelname van deze regeling gelden de volgende voorwaarden:
- Werknemers kunnen gebruik maken van deze regeling na een dienstverband van tenminste vijf jaar.
- De tussen werkgever en werknemer overeengekomen arbeidsduur per week dient gedurende de vijf jaar voorafgaand aan deelname aan de regeling niet gewijzigd te zijn. Deze voorwaarde geldt niet indien binnen vijf jaar voorafgaand aan een (nieuw) verzoek om toepassing van deze regeling een eerdere reductie van het dienstverband op basis van deze regeling heeft plaatsgevonden.
- Bij herhaalde toepassing van deze regeling geldt de omvang van het dienstverband direct voorafgaand aan de eerste toepassing van deze regeling als uitgangspunt.
- De werkgever is niet (langer) gehouden zorg te dragen voor het voortzetten van de pensioenopbouw op het niveau van de overeengekomen arbeidsduur voor (eerste) deelname aan de regeling indien een wijziging of aanpassing van de fiscale regelgeving of het opschuiven van de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum van het ouderdomspensioen dit niet (langer) faciliteert.
- De werkgever kan een verzoek van de werknemer tot werktijdvermindering weigeren op basis van een zwaarwegend bedrijfs-of dienstbelang in de zin van artikel 2 van de Wet Flexibel werken.
3
De werknemer in dienst op 1 januari 2016 behoudt de hem met ingang van die datum reeds toegekende aantal leeftijdsuren, ex het vervallen artikel 27 eerste lid sub c. 5 De werknemer die ervoor kiest gebruik te maken van de RWO-regeling en nog beschikt over leeftijdsuren toegekend op grond van het per 1 januari 2016 vervallen artikel 27, eerste lid sub c CAO, dient deze bij gebruikmaking van deze regeling in te leveren.
4
De door het gebruik van de RWO-vrijkomende uren worden zo maximaal mogelijk en op een verantwoorde wijze herbezet. Als sprake is van herbezetting dan wordt dit aldus vermeld in het Sociaal Jaarverslag.